|
Monniken, nonnen en leken beoefenaars
| |
 |
| |
Monniken in het Sera klooster in India |
Een serie veelgestelde vragen en antwoorden:
Waarom monnik of non worden?
Het is niet per se nodig om monnik of non
te worden om de Dharma (leringen van de Boedha) te
beoefenen. De wijding tot monnik of non is een individuele
keuze die ieder voor zich moet maken. Natuurlijk heeft het
wel voordelen om gewijd te zijn: zolang men de voorschriften
niet breekt verzamelt men voortdurend positieve energie, zelfs
wanneer men slaapt (zie ook karma).
Tevens is er meer tijd om beoefening te doen en is er minder
afleiding in en klooster dan in het gezinsleven.
Als mensen verplichtingen tegenover hun gezin hebben, moeten
ze veel tijd en energie besteden aan het zorgen voor dat gezin,
geld verdienen etc.. Kinderen eisen veel zorg, en het is moeilijk
om te mediteren als
zij vlakbij spelen of huilen. In een klooster, zonder de sociale
verplichtingen van een partner en gezin is het eenvoudig makkelijker
om je te concentreren op studie en contemplatie.
Hoe kan een leek de Dharma
beoefenen?
Zij die als leek het boeddhisme willen belijden
kunnen de Dharma heel goed beoefenen door hun geest
te beteugelen. We verminderen onze eigen energie nodeloos
door te denken: "Ik ben een leek. Naar onderricht luisteren,
reciteren en mediteren is het werk van monniken
en nonnen. Dat hoef ik niet te doen. Ik ga alleen naar de
tempel, maak neerbuigingen,
breng offers en bid voor het welzijn van mijn familie."
Het is goed om deze dingen te doen, maar leken zijn in staat
tot een veel rijker spiritueel leven, zowel in termen van
kennis over het boeddhisme als integratie daarvan in hun dagelijks
leven. Het is heel belangrijk dat ze de gesprekken over de
Dharma volgen en een serie lessen volgen. Als ze
dit doen, zullen leken de werkelijke waarheid en schoonheid
van de Dharma begrijpen.
Nadat we naar de lessen hebben geluisterd, is het de bedoeling
dat we ze zoveel mogelijk in praktijk brengen. Dagelijkse
gebeden
of meditatiebeoefening is uitstekend. Soms zeggen
lekenstudenten: "Mijn dag is zo gevuld met mijn werk,
gezin en sociale verplichtingen dat er geen tijd over is om
dagelijks een Dharma-beoefening te doen." Dit
is een triest excuus dat door een luie geest wordt ingegeven.
Er is altijd tijd om te eten: we zorgen er wel voor om nooit
een maaltijd over te slaan. Net zo ijverig en zorgvuldig als
we ons lichaam voeden en daar altijd tijd voor vinden, zouden
we ook onze geest moeten voeden. Het is tenslotte onze geest
die verder gaat naar volgende levens; het is onze geest die
alle karmische indrukken van onze daden met zich
draagt, niet ons lichaam. We beoefenen de Dharma
niet voor het heil van Boeddha maar voor ons eigen heil. De
Dharma beschrijft hoe we de oorzaken voor geluk kunnen
creëren en daar we allemaal gelukkig willen zijn zouden
we allemaal zoveel mogelijk beoefeningen moeten doen.
Het is ook heel nuttig en heilzaam als leken
de vijf
lekengeloften voor de duur van hun leven afleggen of de
acht
Mahayana voorschriften voor speciale dagen nemen, zoals
bij nieuwe en volle maan. Op deze manier kunnen ze veel positieve
energie creëren. De verantwoordelijkheid voor het bestaan
en de verspreiding van Boeddha's onderricht ligt zowel bij
monniken en nonnen als bij lekendiscipelen. Als we de waarde
van Boeddha's lessen begrijpen en willen dat ze blijven bestaan
en bloeien, dan hebben we de verantwoordelijkheid om ze te
leren en in overeenstemming met onze mogelijkheden in praktijk
te brengen. Er zijn vele historische voorbeelden van leken
die spirituele realisaties hebben bereikt. Het is inspirerend
om over hun leven te horen en hen na te volgen.
Worden mensen monnik en
non om de harde werkelijkheid van het bestaan te ontvluchten?
Als iemand om die reden monnik of non wordt
dan heeft hij een onzuivere motivatie en zo iemand zal het
gewijde leven niet bevredigend vinden. De ware oorzaken voor
lijden zijn gehechtheid, onwetendheid en haat. Deze houdingen
volgen ons overal. Ze hebben geen paspoort nodig om met ons
mee te gaan naar een ander land, en evenmin kunnen we ze buiten
de kloosterpoort achterlaten. Zolang we gehecht of onwetend
zijn of haten kunnen we onze problemen niet ontlopen, of we
nu gewijd zijn of niet.
Mensen die deze vraag stellen denken dat een baan, een hypotheek
en een gezin waarvoor men moet zorgen moeilijke taken zijn
en dat die de "harde werkelijkheid van het bestaan"
vormen. Het kan echter een veel hardere realiteit zijn om
eerlijk tegenover onszelf te zijn en onze eigen verkeerde
zienswijzen en schadelijk gedrag te onderkennen. Het is veel
moeilijker om onze boosheid, gehechtheid en gesloten geest
te overwinnen. Iemand die reciteert of mediteert kan geen
wolkenkrabber of loonstrookje laten zien als bewijs van zijn
succes, maar dat betekent niet dat hij lui of onverantwoordelijk
is. We moeten er veel moeite voor doen om de schadelijke gewoonten
van lichaam, spraak en geest te veranderen; het is niet eenvoudig
om een boeddha te worden. In plaats van "de werkelijkheid
te ontvluchten" proberen oprechte beoefenaars deze juist
te ontdekken! Degenen die zintuigelijke genoegens najagen
proberen juist de werkelijkheid te ontvluchten, want zij weigeren
de realiteit van de dood en van het functioneren van oorzaak
en gevolg onder ogen te zien. In de zin van de Dharma
zijn zij lui, omdat zij er niet naar streven om hun gehechtheid,
woede en gesloten geest te onderwerpen, hoe druk ze ook bezig
zijn met hun wereldse leven.
Sommige mensen denken: "Alleen mensen die het 'in de
echte wereld' niet kunnen maken worden monnik of non. Misschien
hebben ze problemen thuis of deden ze het niet goed op school
of zijn ze arm of hebben ze geen dak boven het hoofd. Ze wonen
slechts in de tempel en leggen slechts geloften af om een
dak boven hun hoofd en een bezigheid te hebben." Mensen
die zo denken kijken neer op hen die gewijd zijn. Dit is onjuist.
Als iemand om deze reden monnik of non zou worden, dan heeft
hij niet de juiste motivatie en de leraren die de wijding
uitvoeren proberen zulke mensen eruit te selecteren. Maar
degenen die gewijd willen worden vanuit de juiste motivatie
willen heel graag hun mogelijkheden ontwikkelen om hun geest
te beteugelen en anderen te helpen.
Is gewijd worden een pijnlijk
offer?
Dat zou het niet moeten zijn. We moeten
niet het gevoel hebben van: "Ik wil graag deze dingen
doen, maar nu kan het niet meer." Het achterlaten van
negatieve activiteiten moet niet gezien worden als een last
maar als een vreugde. Zo'n houding ontstaat na het nadenken
over oorzaak en gevolg.
Als we de geloften nemen, of het nu de vijf lekengeloften
zijn of de geloften van monniken en nonnen, moeten we allereerst
de volgende houding opwekken: "Ik wil deze dingen in
geen geval meer doen. In mijn hart wil ik niet doden, stelen,
liegen, etc." Soms zijn we zwak in een bepaalde situatie
en worden we verleid om deze dingen wel te doen, maar de voorschriften
geven ons extra kracht en vastbeslotenheid niet te doen wat
we echt niet willen doen. We willen bijvoorbeeld oprecht niet
meer doden. Maar wanneer er kakkerlakken in onze flat zitten,
worden we wellicht verleid om een verdelgingsmiddel te gebruiken.
Omdat we het voorschrift om niet te doden hebben genomen,
herinneren we ons dat we niet willen doden. We zijn bewuster
in wat we doen en hebben meer kracht en vastbeslotenheid om
de verstorende emoties, die negatieve activiteiten kunnen
veroorzaken, het hoofd te bieden en ons ervan af te wenden.
Op deze manier zijn voorschriften bevrijdend en niet beperkend,
want we bevrijden onszelf van de gewoonte om verstorende emoties
te volgen en ons te verliezen in schadelijke activiteiten.
Houdt iemand die wordt gewijd
geen rekening met zijn familie door hen te verlaten?
Integendeel. Mensen die oprecht de wereld
willen verbeteren door hun religieuze beoefening houden juist
wel rekening met hun familie. Zij begrijpen dat zij in staat
zullen zijn anderen naar het eeuwige geluk te leiden via het
pad van de Dharma door de oorzaken voor toekomstige
goede wedergeboorten te creëren en hun geest te zuiveren
en te ontwikkelen. Zij beseffen dat dat heel heilzaam voor
hun ouders is en nuttig voor de maatschappij. Ofschoon ze
wellicht in dit leven geen hoge realisaties bereiken, hebben
ze een brede visie en werken ze voor het geluk en het heil
op de lange termijn. Een echt toegewijd kind denkt: "Als
ik doorga met mijn wereldse leven zal ik alleen de oorzaken
voor lagere wedergeboorten
voor mezelf creëren en ervoor zorgen dat anderen dat
ook doen. Hoe kan ik mijn ouders in dit en in volgende levens
helpen als ik dat doe? Terwijl als ik me bezighoud met de
oprechte Dharma-beoefening mijn eigen goede eigenschappen
zullen toenemen en ik in staat zal zijn hen te begeleiden
en hen beter en langer te helpen."
Dat gewijden hun gezinsleven verlaten betekent niet dat ze
hun familie afwijzen. Ofschoon ze de negatieve emotie van
gehechtheid
ten opzichte van hun gezin opgeven, waarderen ze de vriendelijkheid
van hun ouders nog steeds en geven ze heel veel om hen. In
plaats van hun liefde tot een paar mensen te beperken,
proberen gewijden de onpartijdige liefde voor alle
voelende wezens te ontwikkelen en hen allemaal als
deel van hun familie te zien.
Soms komen we gewijden
en leken tegen die slecht zijn en moeilijk om mee om te gaan
ondanks hun religieuze beoefening. Hoe komt dat?
Het kost tijd om de geest te veranderen.
Onze boosheid laten oplossen is geen gemakkelijk proces. Dat
kunnen we begrijpen uit onze eigen ervaring: als we gewend
zijn om onze kalmte te verliezen, is er meer voor nodig dan
te zeggen: "Dit moet ik niet doen" om ons te laten
stoppen. We moeten daartoe voortdurend de juiste oefeningen
doen. We moeten geduldig zijn met onszelf en evenzo moeten
we geduldig zijn met anderen. We bewandelen allemaal het pad;
we vechten allemaal tegen de innerlijke vijanden van de verstorende
emoties en de indrukken van vroegere daden. Soms kunnen we
er sterk tegen optreden, op andere momenten worden we meegesleept
door boosheid, jaloezie, gehechtheid of trots. Soms zien we
hoe gesloten onze geest is; op andere momenten zijn we daar
blind voor. Het heeft geen zin dat we onszelf veroordelen
en onszelf iets verwijten wanneer we voor de verstorende
emoties bezwijken. Evenzo is het nutteloos anderen iets
te verwijten en hen te bekritiseren wanneer zij hetzelfde
doen. Omdat wijzelf weten hoe moeilijk het is innerlijke transformaties
tot stand te brengen, moeten we ook met anderen geduld hebben.
Het feit dat beoefenaars niet perfect zijn betekent niet dat
de methode die Boeddha heeft onderwezen niet perfect is. Het
betekent ofwel dat zij deze methode niet correct beoefenen
ofwel dat hun beoefening nog niet sterk genoeg is. In religieuze
kringen is het buitengewoon belangrijk dat mensen proberen
in evenwicht te zijn en eikaars zwakheden accepteren. Het
is niet onze taak iemand te beschuldigen en te zeggen: "Waarom
doe jij je beoefening niet beter? Waarom beheers jij je boosheid
niet?" We moeten daarentegen denken: "Waarom doe
ik mijn beoefening niet beter zodat hun activiteiten mij niet
meer boos maken?" en "Wat kan ik doen om hen te
helpen?"
Waarom al die verschillende
kleuren en stijlen van pijen?
Toen Boeddha's onderricht zich verspreidde
van het ene land naar het andere was het flexibel en paste
het zich aan de cultuur en denkwijze van de mensen daar zonder
zijn essentie en betekenis te veranderen. Daarom varieert
de stijl van pijen.
In Sri Lanka, Thailand, Birma, etc. zijn de pijen saffraankleurig
en mouwloos zoals de pijen ten tijde van Boeddha.
In Tibet was echter die kleur verf niet voorhanden, dus men
gebruikte daar een diepere kleur: een soort donker bordeaux-rood.
In China wordt het als onbeleefd beschouwd
als men de huid ziet, dus de pij werd aangepast en nu gebruikt
men er de klederdracht uit de T'ang Dynastie met lange mouwen.
De mensen in deze cultuur vonden saffraan een te vrolijke
kleur voor religieuzen, dus de Chinese pijen werden grijs.
De geest van de oorspronkelijk pij werd echter bewaard in
de vorm van de zeven en negen delige bruine, gele en rode
opperkleden.
De manier waarop men in de diverse landen
gebeden zingt
verschilt ook, overeenkomstig de cultuur en de taal van de
plaats. De muziekinstrumenten verschillen ook, evenals de
manier van neerbuigen.
Chinezen staan terwijl ze zingen, Tibetanen zitten. De variaties
spruiten uit culturele aanpassingen.
Het is van belang te beseffen dat deze uiterlijke
vormen en manieren waarop men dingen doet niet de Dharma
uitmaken. Het zijn werktuigen die ons helpen de Dharma
beter te beoefenen in overeenstemming met de cultuur en de
plaats waar we wonen. De echte Dharma kunnen we echter
niet met onze ogen zien en niet met onze oren horen. We kunnen
de Dharma alleen door onze geest ervaren. We moeten
de echte Dharma benadrukken en er onze aandacht op
richten, en niet op de oppervlakkige verschijningsvormen die
van plaats tot plaats kunnen verschillen.
Zie ook dit commentaar 'Helden
van de Sangha' van Lama Zopa Rinpochee (engelstalig).
|